Kemet

 

 

Kemet

Het continent Kemet is lange tijd verborgen gebleven voor de inwoners van het noordelijke continent. Dit komt door de woeste zee bij de Equator. Onder water bevinden zich hier een streng vulkanen, die zorgen voor extreem sterke stromingen en hoge golven. Heel lang werd deze natuurlijke grens dan ook het Eind van de Wereld genoemd: mensen zagen daarachter wel nog meer zee maar verder geen land, dus ongetwijfeld liep de zee daar gewoon eindeloos door.
De uitvinding van vliegmachines – zeppelins – bracht hier verandering in. De zeppelins werden 20 jaar geleden uitgevonden en niet lang daarna werden de eerste pogingen gedaan te kijken wat er na de Equator lag. Deze eerste pogingen strandden doordat de sterke stromingen en hoge golven ook zorgden voor sterke winden boven de zee, en de eerste zeppelins waren er nog niet op gebouwd dit stormachtige weer te doorstaan. Uitvinders zijn echter volhardend, en na een paar jaar waren er zeppelins die sterk genoeg waren lange tijd te vliegen door slecht weer. De eerste vlucht werd gezien als een verkapte zelfmoordpoging: het was helemaal niet zeker óf er wel land zou liggen aan de andere kant en zo ja of dat land dan enigzins dichtbij zou zijn. Een paar mensen durfden het toch aan en ontdekten na een week vliegen (ze wilden de moed al bijna opgeven) aan de andere kant van de zee een groot uitgestrekt land dat voornamelijk uit woestijn bestond: Kemet.

Kemet is een dunbevolkt land. De meeste mensen wonen aan de kust, waar er genoeg water en voedsel te vinden is. De binnenlanden worden vooral bewoond door een paar bedouinenstammen, de Desheset, die van oase naar oase trekken en net genoeg leven weten te trekken uit de woestijn voor een hard bestaan. Er wonen vooral mensen en wat elven aan de kust; er woonden wat dwergenstammen in de binnenlanden maar die zijn vrijwel allemaal uit hun nederzettingen vertrokken naar meer herbergzaam gebied. Halflingen waren onbekend en wekten dan ook veel verbazing toen ze vanuit het noordelijke continent naar Kemet kwamen.
Eeuwen geleden werd het land bestuurd door een hoog ontwikkeld volk van elven. Het enige bewijs dat hiervan nog rest zijn de muurschilderingen en voorwerpen die in oude ruïnes zijn gevonden. Dit volk word het volk van Nehekhara genoemd, naar schriftfragmenten die in oude kruiken zijn teruggevonden. Niemand weet wat er met deze elven is gebeurd, of ze zijn gestorven aan een ziekte, ergens anders heen zijn getrokken of elkaar hebben uitgemoord in een oorlog – uit schilderingen blijkt dat ze een harde cultuur hadden waar oorlog geen bijzonderheid was, hoewel er ook veel schilderingen zijn van elven die muziek maken, tijd met elkaar doorbrengen of de goden aanbidden.
Nadat de cultuur van Nehekhara uiteen was gevallen heerste er in Kemet lange tijd het recht van de sterkste. De Desheset terroriseerden een tijd lang de kustbewoners, die dikke muren om hun stad bouwden om zich te verdedigen. Hier kwam een goede honderd jaar verandering in dankzij de Askar stam, die uit was gegroeid tot de sterkste stam. Hun leider, Sheik Fathi ibn Hamza Abd-al-latif, had genoeg van alle stammenoorlogen en besloot dat het voor iedereen veel beter was als er niet om de haverklap roofovervallen werden gepleegd op nederzettingen. Met behulp van zijn strijders wist hij de andere bedouinenstammen dusdanig de kop in te drukken dat ze zich verder gedeist hielden. Sindsdien is het rustig gebleven in Kemet en kregen mensen eindelijk de kans handel en cultuur te laten ontplooien.
In 410 – Antarceense jaartelling – werd Kemet opgeschrikt door het plotselinge verschijnen van een zeppelin, iets dat de mensen daar nog nooit hadden gezien en zich eigenlijk ook niet goed voor konden stellen. De eerste contacten waren voorzichtig maar positief: de ontdekkingsreizigers kwamen in eerste instantie vooral uit nieuwsgierigheid en niet uit zelfbelang, en de inwoners van Kemet waren best bereid deze vreemde mensen – en halflingen! – een plek te geven. Er was immers ruimte genoeg. Helaas bleef het niet altijd zo vreedzaam: vanuit Kemet kwamen er mensen in opstand tegen deze vreemde nieuwkomers en vanuit het noordelijke continent zag men dit nieuwe continent met zijn nog nauwelijks ontgonnen binnenland als een letterlijke goudmijn. De kolonisten vanuit Antarcene hadden echter de militaire overhand en uiteindelijk moesten de oorspronkelijke inwoners van Kemet gedwongen plaatsmaken. Gelukkig hebben de koningen van Antarcene altijd wel begrip gehad voor minder vriendelijke gevoelens vanuit Kemet, en het land is nooit echt onderdrukt geweest – zolang ze hun plaats begrepen en de kolonisten niet lastigvielen. Kemet word nu bestuurd door een gouveneur – op het moment is dat Alexander de Montacue. Het exporteert vooral goud – er zijn een paar nog nauwelijks ontgonnen goudmijnen –, zout uit de Suq baai en handwerk van de oorspronkelijke bewoners. Het is in de laatste jaren ook uitgegroeid tot een vakantiebestemming voor de wat meer avontuurlijke vakantieganger, en de oude ruines trekken veel wetenschappers, met name op het gebied van antropologie en archeologie.

De hoofstad van Kemet heet El Gouna, ‘de lagune’ omdat het bij een lagune ligt. Dit is een redelijk grote stad, die voornamelijk uit gebouwen van steen en klei bestaat. Bij de haven staan de oudere grotere gebouwen waaronder het gouvernementele paleis, het nationaal museum en de oudste tempels. De rest van de stad bestaat uit een hutje-mutje van smalle straatjes en huizen die dicht op elkaar staan. Het is er altijd heel erg druk – het warme weer zorgt ervoor dat veel van het leven zich op straat afspeelt – en dan helpen de straatjes waar soms maar 2 mensen naast elkaark kunnen lopen niet.
Vlakbij El Gouna bevinden zich de ruines van Bel Aliad, de grootste Nehekhara ruines. Dit vroegere paleis – en bestuurscentrum? – bezit nog veel van zijn vroegere majesteit en is relatief eenvoudig te bereiken met kameel.
Een dag varen van El Gouna vandaan bevind zich El Uqsur. De naam betekend ‘de paleizen’ en verwijst naar overblijfsels van oude paleizen die zich niet ver daar vandaan bevinden. De stad zelf is verder weinig interessant; eigenlijk een slap aftreksel van El Gouna. Vanaf El Uqsur is de Al-Adib rivier wel makkelijk te bereiken: deze rivier is de enige rivier van formaat die het hele jaar door gevuld is. Er zijn in de woestijn wel diverse droogstaande rivieren (wadis) te vinden die tijdens het winterseizoen gevuld worden met regenwater, en soms smallere kreekjes, maar echte rivieren kent Kemet niet.
De volgende grote stad is Quabah. Dit is voornamelijk een handelsstad. Bedouinenstammen komen hier hun handwerk verkopen en voedsel inkopen, en het zout dat in de Suq baai word gewonnen word eerst naar Quabah gebracht en daarna verder verscheept.
In de Suq baai zelf ligt het eilandje Waset. Dit word maar door een paar mensen bewoond, allemaal van dezelfde stam en na diverse generaties ook vrijwel allemaal van dezelfde familie. De Mahabba familie heeft als enige het recht de dadelpalmen op dit eiland te oogsten: de dadels en de olie die op deze manier verkregen worden zijn erg in trek, hoewel erg duur.
In het midden van de woestijn ligt Tell Al-Mutesellim, op een rotsplateau naast de berg Jebel Dahab. Er wonen nog maar weinig mensen hier, hoewel er wel resten zijn gevonden van veel oudere nederzettingen. Ook in de berg zijn oude nederzettingen gevonden, huizen die uitgehakt zijn in de rots. Waarschijnlijk hebben er dwergen gewoond die uiteindelijk naar beter bewoonbaar gebied zijn getrokken, maar men weet het niet zeker.
Op een groot eiland naast het hoofdeiland ligt het plaatsje Alayib. Dit eiland is zo onherbergzaam dat Alayib zelf nauwelijks meer dan een formaliteit is: er moet iemand wonen dus is er maar een nederzetting gesticht, maar het stelt nauwelijks wat voor en het leven is er hard.
Tot slot is er nog l’Tiraf. Dit is vooral een vissersnederzetting, hoewel dat woord misschien onderschat hoe belangrijk het vissen hier is en hoe trots men is op de vaardigheden van de vissers. De schepen die in l’Tiraf worden gebouwd zijn geroemd in heel Kemet (ook al kunnen de Desheset zich maar moeilijk voorstellen wat een boot is, laat staan wat de zee is) en als er ergens een zeeprodukt te koop is – vis, sieraden gemaakt van schelpen of parels – komt die vrijwel zeker uit l’Tiraf.

Kemet

Antarcene Linda_Lupos